zondag 25 november 2018


vinger —
verlengde van verlangen —  
bemiddelaar, als een kaars, 
tussen neuronen en iconen —
nieuwsgierig
naar een vlammend verleden

mijn vinger — 
afdaling in het voorgeborchte
van onze toekomst — 
strekt zich uit naar het blauwe 
hinterland van jouw ogen —
daar begint onze dageraad  

vinger van een kind, omhoog
uit de schoot van zijn moeder — 
toont me de kronkelende weg 
van een onzichtbare hand — 
puzzel van lente in wording —
terwijl het bos nog winterslaapt

onze verstrengelde vingers —
zegenglimlach van lichamen,
woest en ruig — nu betast
door meeluisterende mist —
wandeling naar de winterverte
met haar sleutels van hoop

zaterdag 17 november 2018



Er bestaan twintig woorden 
om de superieure stilte te versmaden, 
maar vinden zal ik ze niet
zo lang een zin zich moeien komt
die wanorde wil verdrijven.

Soms komt een hint: in de revolte
van een wenkbrauw, de opstand 
in een zucht, het stille pleidooi
van lippen die bij elkaar te rade gaan.
Dan lijkt iets anders dan taal op komst

die scoort tegen het verwaande zwijgen   
van de vechtersbazen in mijn lichaam.
In dit bestaan valt niet samen te zweren
tegen de natuurramp van grillig lijden.
Ieder krijgt zijn deel, ieder valt uit de boot

van stilte die altijd maar doet 
alsof ze het laatste woord 
verdient.

zaterdag 10 november 2018


Zoals iemand die in het reine wil komen met een blinde vlek, gevangen in de dwalingen van zijn ontembare geest, blikt hij terug op de dagen van het geluk dat hem is overkomen, door een mist van tranen, op de stoep van een verlaten wandelstraat.

Hij zit in de verkeerde club van vrienden, zegt hij, hun aandacht is verdampt, ze stappen langzaam op, nu de gouden fontein van zijn relatie geen druppel meer geeft: het leven is weggespat, de plas verdroogd en de oude grapjes verbrokkelen als sierlijk stuc.

Maar ik wil bij hem blijven, in sfeerbeelden van een vergane wereld, Brabo wacht al om de hoek en op de markt, daar kun je wrokgevoelens wegspoelen zoveel je maar wil. Ach, zucht hij, was het maar zo eenvoudig, er zijn ook nog de achtergebleven kinderen. Kijk:

ze stoeien voor onze ogen, joelend en gierend, tussen de zeemonsters en zeemeerminnen, glibberig en gehaaid, terwijl vreemde jochies op hun schouders klimmen. Mensen zijn roofzuchtig. Hij heeft zijn hand overspeeld en moet de tol betalen, lees ik in zijn stilte, de houw van een reusachtig zwaard. 

Er is een toekomst die raad weet, verzeker ik hem, een schoon verdiep om te hertrouwen. Ik wil je getuige zijn, je bent een ware vriend. De kinderen volgen wel, het ijsje wenkt al in de Oude Koornmarkt. 

En daar zit je dan, 
een uurtje later, 
troost aan jezelf te verkopen 
voor een ongeluk 
aan de andere kant van de tafel.