woensdag 22 mei 2019


Het woord ‘goedkoop’ doet me verlangen 
naar rijke taal en bedachtzame mensen
die je nooit met een winkeltas ontmoet. 
Rare slogans hoeven ze niet te trotseren, 
tussen rekken onder gillend karton
en cijfers met hun verdachte komma.

Koop niet meer. Blijf thuis, alles is toch 
te duur, overal. Armen worden armer,
rijken rijker, en verder zijn er de politici
die inzien hoe dat kan blijven duren
zonder de wereld om zeep te helpen.
Geen ze je stem, gun ze die blinde vlek.

En koester de woorden. Niemand wil ze,
omdat ze ons aanstaren met een ernst
die ruige scheldpartijen geen kans geven.
Blijf in alle rust en privacy aan het werk,
vergaar autonoom je kennis, troost jezelf
met de komst van kleine en grote kansen 

en blijf jezelf verkopen voor wie je lief is,
zoals je bent: een vlotte woordvoerder 
van je vermoeide hormonen. Bij de kassa
telt de komma, de winst in je blije ogen
tegenover een onverwachte schoonheid, 
haar glimlach die niemand kan betalen.

zaterdag 18 mei 2019


Vandaag opende ik een blikje tonijn 
en zag scholen van vissen
vijandig naar me toeschieten.

Wat heeft de rode lijst van uitsterven eraan
dat ik onder woorden probeer te brengen
hoezeer ik me schaam. En beloof

dat ik het nooit meer doen zal:
dit hengelen naar de snelste zwemmers 
in de moordzee van mijn luie smaak.

Soms hoor ik mezelf ’s nachts roepen
naar die goed geconserveerde drenkelingen:
verstikt geluid van nare toekomstdromen. 

Morgen dump ik de opener van mijn blik 
in het sorteerstraatje van louterende emoties, 
zo vers dat ik ze nog naar adem hoor happen.

zaterdag 11 mei 2019


Jammerende stilstand in Antwerpen.
Er is geen tram meer die nog weet
uit welke tijd hij stamt — zijn onmacht
om te wijken wordt een arrogant geklingel.

Mensen van heinde en ver. Dagje dromen 
van de Red Star Line. Vullen hun rijke fantasie
met gestileerd leed van het oude avondland. 
Haven van vandaag speelt amper mee.

En jij, op zoek naar een parade van cultuur
voor je zee van nostalgische indrukken.
Tijd snelt achteruit — flashback van het MAS 
wordt een film die de stad regisseert voor jou

zoals alleen een vreemde het zou doen:
rauw verleden is er om te consumeren,
een dak boven je hoofd te zoeken,
als een trapgevel eenzaam uit te torenen

boven de bistro’s van latere eeuwen.
Maar dat was niet het vlees dat je wilde.
De kronkelende straten zijn te smal 
voor het verkeer van oubollig geluk.

zaterdag 4 mei 2019


Gehaaste step op de stoep. 
Opgedreven fietser boekt winst
tussen opzij springende passanten.
En mijn eigen snelheidsverlangen:
opzij springen voor een sigarettenpeuk
die akelig dicht bij mijn jas kwam, 
zonder iets in de gaten te hebben. 

Jongen praat luid tegen zijn vriend — 
zijn mensen hun privacy beu? 
Niemand kijkt op. 
Straatstenen zijn in de laatste jaren. 
Straatstenen en wegkijken. Doen alsof 
de wereld niet meetelt. Aandacht: 
een falend knipperlicht in de verte.

De dag heeft alle seizoenen in voorraad: 
wat regen en hagel, wind uit verwarring, 
dure solden die liggen blijven. 
Soms een zon die het ook niet meer weet. 
En dan toch mei willen zijn, 
de wondermooie maand. Twee honden
kwispelen maar alsof.

zaterdag 27 april 2019



Ik moet er in de eerste plaats voor zorgen
een mens te worden. Mijn genezing zal volgen,
de bakker aan de andere kant van de stad
zal weer glimlachen en tram 7 rijdt op tijd,
alsof de files nare gedachten waren in mijn hoofd,
verdreven door een luttel bakje troost. 

Ik moet gaan lopen als een jogger in het park,
hijgend hart dat gevaren denkt en voelt
in de regen, gehaast als een passerende leugen.
Ik zal geloven dat de zon wil terugkeren, straks
wanneer ik warm brood proef, een boerderij
die ik heb meegebracht naar huis.

Ik moet vooral beamen dat het leven smaakt, 
ook zonder extra boter, volle melk en het teveel
dat me werd ontnomen. Dat is wat me mens maakt:
wonden verzorgen, vertrouwen in een vlotte rit
en dat de regen geen pret bederft wanneer ik hijg. 
Weten dat jij er bent — bakker die altijd ginnegapt.

donderdag 4 april 2019

RECENSIE IN MAPPALIBRI.BE 
VAN MIJN VERZAMELBUNDEL 'ONDER DE AVONDKLOK VAN DE LIEFDE'

De mooie ‘Parnassusreeks’ van de Leuvense uitgeverij P is onderhand aan haar zeventiende volume toe. In die reeks wordt het oeuvre in kaart gebracht van verdienstelijke, maar vaak veronachtzaamde dichters. Ditmaal is Bart Stouten aan de beurt. Naast zijn drukke activiteiten als radiomaker heeft hij al vele jaren tijd ingeruimd voor het schrijven van poëzie. Deze verzamelbundel geeft ons de kans daarmee nader kennis te maken, en als toemaatje is een lijvige nieuwe bundel toegevoegd: ‘Mobieltje met kapitein Haddock.’ 
  
Als dichter is Bart Stouten alleszins een merkwaardig grensgeval. Zijn werk balanceert immers voortdurend op de grens van poëzie en proza. Zijn verzen zijn veeleer verhalen en meditatieve beschouwingen met een doorlopend betoog, dat evenwel ritmisch wordt onderbroken door de afspringende versregels. Die eigen toon is al aanwezig in zijn eersteling, ‘Sapporo blues’, waarmee dit boek opent. Het is een lang relaas, opgebroken in fragmenten, waarin de muzikale toon en het spel van tonen en tegentonen een belangrijke rol speelt. Inhoudelijk roept het gedicht een aantal herinneringen uit de jeugd op, maar het meest opmerkelijk is de ontmoeting met een Aziatische jongen die de atoombom heeft overleefd. Leven en dood zijn zo van meet af aan nauw met elkaar verweven; ook dat heeft autobiografische wortels, want Stouten verloor als kind zijn ouders bij een verkeersongeval. De tekst verspringt dan ook voortdurend van verleden naar heden en terug. Het verblijf in het Japanse Sapporo toont eveneens de dubbelzinnigheid van de Oosterse cultuur. Onder de ogenschijnlijke rust en harmonie gaan evenzeer conflicten schuil, en de combinatie van traditie en hedendaagse drukte vormt daarvan een sprekend symptoom. 
  
In feite zijn daarmee de contouren van het hele oeuvre van Stouten al vastgelegd. De dichter probeert onophoudelijk inzicht te verwerven in zijn eigen bestaan en in de hectische wereld rondom zich. Hij is een eeuwige reiziger, letterlijk zowel als figuurlijk. Letterlijk is Stouten een globetrotter, en in tal van gedichten roept hij buitenlandse ruimten op, zowel steden als landschappen, zowel Amerika als Azië. Dat ‘andere’ doet tegelijk vertrouwd aan en erg vreemd, en net die tweespalt dwingt het ik ertoe om zichzelf te onderzoeken. In dat verband valt overigens op hoe de dichter zichzelf vaak ontdubbelt tot een ‘jij’ en zo met zichzelf (en de lezer) in gesprek treedt. Tegelijk probeert hij ook tot meer algemene inzichten te komen wat aan deze poëzie vaak een aforistisch karakter verleent. 
  
Die combinatie van concrete details en meer filosofische overwegingen zorgt voor een krachtige lyriek, ook al is Stouten op andere plaatsen soms nogal breedvoerig. De dichter wordt overstelpt met indrukken en vragen, en daarbovenop etaleert hij ook een enorme culturele bagage, literair, artistiek en muzikaal. Het schrikt sommige lezers wellicht af, maar het is tegelijk de manier waarop de dichter zelf zijn inzichten tracht te verwoorden, het hier-en-nu tracht te overstijgen tot een breed perspectief dat bij momenten duidelijk religieuze contouren aanneemt en pleit voor een grote ontvankelijkheid ten opzichte van wat de mens overstijgt. In zijn nieuwe bundel ‘Mobieltje met kapitein Haddock’, waarmee deze uitvoerige bloemlezing afsluit, komt die thematiek op de meest transparante manier aan bod. In leesbare gedichten wordt het zelfonderzoek gekoppeld aan beschouwingen over de wereld en de liefde. Het resultaat zijn vaak intieme gedichten die zich echter nooit afsluiten van de wereld. Stouten toont de menselijke kwetsbaarheid maar ook de weerbaarheid op een intense manier. 
  
De bundel wordt ingeleid door Stefaan van den Bremt. 
  
Bart Stouten: Onder de avondklok van de liefde. Bloemlezing uit eigen werk (2002-2018), P, Leuven 2018, 184 p. ISBN 9789492339560 

woensdag 3 april 2019


Stilzitten is een zegen 
voor de herinnering aan jou. 
Roerloos in een theater 
voor deze verwende bezoeker.

Je staat opnieuw voor het voetlicht: 
zoals toen, trillend bedachtzaam,
acteerde je in de vuurlinie 
van mijn kleine zelf.

Jouw bühne was een wereld 
die niet meer adverteerde, 
verknipte tijd die ongevraagd
naar toekomst promoveerde.

Je leek verzekerd van je einde 
in een kort gedicht
en voelde dat ik slechts bestond 
om te stranden in je liefde.

Nu blijven vlammen ver weg van mij:
er heerst slechts oorlog 
in een achterhoede van neuronen
die graag elk slot, liefst onverwacht, 

met gulle dankbaarheid bekronen.

woensdag 27 maart 2019


Soms heb je een reis nodig: 
ik zal je zeggen wanneer. 

Het zijn ogenblikken dat je, 
tussen de vertrouwde bomen, 
een kleine paniek voelt 
omdat het signaal van je smartphone 
is uitgevallen. Net nu je de hele tijd 
aan het wachten bent op een antwoord 
dat er maar niet wil komen. 
Dan heb je een reis nodig. 

Het is zoals wanneer je in de lente 
beseft dat een raam openen 
en koele geuren binnenlaten 
belangrijker is dan altijd maar 
die vertrouwde bomen te bespieden — 
ze zijn zelf nog niet klaar 
voor de veranderingen die gaan komen.
Ze weten het nog niet.

Je hebt een reis nodig 
om ruimte te vinden voor je zelf. 
Laat de koeien maar onverschillig staren, 
het zijn je longen die je moeten begrijpen, 
het is een adem die zijn kans wil krijgen. 
Het is een ander ritme dat naar je verlangt, 
dat is wat je verlangen naar vreemde contreien 
nauwelijks hoorbaar heeft verteld.

Reis dan. Naar de nacht waar je gevoelens 
dwalen in de wijn. Reis naar de andere kant 
van wie je tot hiertoe bent geweest. 
Vergeet de ziekte die een excuus was. 
Wees blij dat er een bladzijde voor je ligt 
om woorden op los te laten. 
Als de wind op dauwdruppels 
met een leven in miniatuur.

En houd je reis heel eenvoudig. 
Zoek het hotel van je herstel op. 
En blijf daar overnachten in een kamer 
met de gravures van je herinneringen 
aan de wand. 
Sluit je ogen dan 
en vier, in een droom, 
de geboorte van een nieuwe morgen.






donderdag 21 maart 2019



Het is lente vandaag, zei de weerman. 
De wolken schoven niet open, op straat
werd er weggekeken en toen de tram kwam
verdrong de massa zich om een zitje
dat onvindbaar was. Rood werd groen,
de bocht maakte een schurend geluid 
en de harmonie van het park werd verstoord
door krijsende kinderen die Peter Benoit 
had leren zingen.

Maar daarna kwam ik. Vastbesloten vandaag
om er iets van te maken. De hemel merkte het
toen ik mijn toverspreuk sprak die de toonladder
voor een beiaard werd, hamerend brons 
dat vrijen wilde met de zon. Een hond sprong op
naar mijn glimlach, de leiband liet hem begaan
en schonk mij het teken om me gewonnen te geven, 
mijn jaren naar beneden te klimmen en blij te zijn
dat een jong lichaam de nieuwe lente had voorgesteld.

Helios kwam even piepen: 
het was een zuinig begin. 

maandag 18 maart 2019


Als sneeuw die te lang heeft gewacht
komen waterbubbels voor mijn lippen
in het aquarium met de gapende vis
waar ik woorden kom zoeken 
om jouw koele kijken in mijn ziel 
te herkennen in een stille passage
van je stem. 

Sneeuw, spreek over vergeten meren.
Tussen bergen die zich vulden met zintuigen
en ballades, smeltend in een ganzenveer. 
We zaten er te vissen, ik aan de rand 
van het donkere water, jij als een schim
aan de overkant, lichtend in de winter
die ik als boter had meegenomen.

Sneeuw, sprekende vlagen van gebleven liefde.
Herinnering zwemt voor mijn ogen,
gevangen in de tijd. Zuurstof borrelt op
en het is wachten op de gapende mond
waaraan verlangens niet weerstaan.
Sneeuw — niet langer dreigen.
Ik wil me zien rollebollen in de vallei

waar ik kwam picknicken met mijn dromen.

maandag 11 maart 2019


Als je ziek bent, vragen mensen 
hoe het met je gaat — 
vijf woorden,
maar het antwoord is altijd 
een kwadraat 
waarmee je niemand wil lastig vallen.

Vierkantswortel, dan maar,
omdat de narigheid er niet toe doet:
‘het gaat goed met me.’ 
Oh. 
Dan lijkt het
alsof je iets verbergt. 
Kort en bondig past niet
bij een ernstige ziekte.

Dus moet je amenderen,
beleefdheidshalve: 
‘Over de details zullen we zwijgen.’  
Als een voetnoot, 
die je ad nauseam kan herhalen.

Je dankt voor het beloofde beterschap
en onthoudt de vriendschap, 
die nooit te veinzen valt.


maandag 25 februari 2019



In het raam vandaag: jonge pochhans, 
blik omhoog naar de vluchtige overwinning 
van een streepje februarizon
tussen twee oude huizen.

Achter mij de radio: 
vergangen winter, stille gloed
van een negro spiritual 
waarop de koude wereld wiegen wil.

Mooie lente om de hoek, verwonderd 
gilmlachend naar de jongen
die haar toekomst is: ben je daar weer?
Op mijn smalle strook van wachten.

Ik zwaai naar je, maar dat kun je niet zien.
Hoe ik blij kan zijn met de strenge liefde 
die voor jullie uit de radio is gevallen, 
als een god uit zijn stralende rol.


zaterdag 9 februari 2019


Mijn hart, sissend en blazend, 
was een verraderlijke woestijn. 
Kamelen, strompelende schaduwen 
in avondrood, trokken in karavaan 

langs deze horizon van woorden:
stille slangen, vergankelijke duinen 
die hoog opgaven over de wind 
die hen voortdreef in mijn teksten. 

Ik sluit nu mijn ogen voor wat korrels 
van verleden. Open ze dan opnieuw. 
Zie nog sporen van jeeps en buggies 
en andere platwalsers met snelheid. 

Depressies werden geen zandstormen 
voor verdwalende would-be avonturiers. 
O nee — ze lieten achtergebleven stilte
de schat zijn waar ik niet zonder kan.

En toen — in een luwe zomer kwam jij. 
Je klonk als water in de oase-nacht, 
viel als een zaadje van liefde 
in de laatste ribbel, frivool als dit vers. 

JIj. Open boek dat gelezen werd, 
’s avonds voor het slapen gaan, 
in een zoen tegen de rug 
van een geknielde kameel. 

zaterdag 26 januari 2019


Een half uur voor ik vertrok naar de buitenkou
nam ik afscheid van mijn centrale verwarming
en koesterde de blijvende binnenwarmte 
als een bron van verdovende gezelligheid 
die langzaam doven zou. 

De vrije temperatuur zakte zienderogen
en mijn verlangen om me af te sluiten werd gauw
een excuus om te vergeten wie er op me wachtte,
daar ginds in de slopende winter: wie me nodig had,
zonder dat ik het wist, zonder dat ik het kon zien.

Ik trok mijn jas aan en doofde het snoevende licht. 
De kamer was boos: ben ik niet goed genoeg
voor jou? Tafel en stoel beaamden haar, ontgoocheld.
Ik luisterde naar het laatste kraken van het hout
en klapte de deur achter me dicht, mezelf troostend

dat ik op weg was, eindelijk weer grandioos op weg
naar de warmste, mooiste medemens van de hele 
verdomd koude wereld die me nerveus verplichtte 
om vroeger dan laat snelle stappen te ondernemen. 
O hemel van winter, ik was eindelijk weer op weg 

naar jou.

vrijdag 18 januari 2019



Heb er geen weet van dat ik me thuis voel
in de ramp van het alleen zijn. Begrijp maar niet

waarom ik met avances mors. Die pijn 
heb ik nodig om een clash te beleven

tussen plonzend verlangen 
en moerassige stiltepracht

met haar dotters van geurige woorden,
lankmoedig verdwijnen in een diepte 

waar de ontreddering galmt van ken-je-me-nu
in mijn spiegelbeeld dat als gestenigd trilt.

De roerselen zijn bescheiden, warme taal prevelt 
schroom over de puinzooi van nakende nacht.

Heb er geen weet van dat ik me thuis voel
wanneer jij naast me loopt, onschuldig lichaam

dat een voorrecht wil worden in dit hoofd.
Hoop, bloot, zacht en donker in de zonneslaap,

mag duren tot het tijd wordt voor de cape
over je getatoeëerde vleugels. In doodse kou

lacht de maan, als koffiemelk zo vet,
omdat ik op Icarus lijk. Hoor: een snerende vogel

is jaloers op wat ons samenbracht. Laat gaan
wat ik niet weet, omarm wat je niet kent, zoen 

nu het nog kan deze mond die niet zwijgen wil, 
loop met mij naar het aardedonker van de liefde

en vertel vooral niemand 
waar het wij geboren werd.

vrijdag 11 januari 2019


mensen met een zware allergie 
voor de genegen glimlach
die soms aan lust voorafgaat
halen hun schouders op 
voor slank gebouwde sympathie

maar waarom zou ik liefde herroepen? 
het is als sterven op een lege matras 
en hoor me piepen in deze verzen:
mijn longen zitten vol lucht 
van woeste nachten 

vroeger keek ik reikhalzend uit
naar het kinderachtig gedoe
van familieknuffels bij thee en roddel:
altijd beter dan weten welke woorden 
ik wiste om iemand te misleiden

in een stille vijandschap 
waarin ik mezelf gevangen hield
omdat ik bang was voor de grenzen  
van elke stille huiver 
die volgde op een liever-niet

zondag 6 januari 2019


Er groeit en bloeit iets moois in mij.
Het is een bloem die na de vlammen
in het woud uit de as verrijst.
Onderweg naar de vierde verdieping.

Ik heb een schriftje geopend op de dag
dat ik jou ontmoette. In de lift stond je
te doen alsof je me niet gezien had.
Er zijn zoveel spiegels als excuus.

Maar toen we stilvielen, en je blik
paniekerig op mij viel, glimlachte ik 
naar jou, alsof het mijn schuld was.
Dat we zo niet verder konden.

Er groeit en bloeit iets moois in mij.
Vraag me niet het te benoemen.
Straks zijn we vertrokken, in het vuur
van onze onmacht

dat op een laag pitje stond. Maar stil,
tussen de regels van mijn schriftje,
ben je tijdloos geworden, jij liefje 
zonder relatie.

woensdag 2 januari 2019




Geen erger gevoel dan de luchthaven bereiken
en vaststellen dat je een boek bent vergeten  
te pakken. Het meisje bij de kranten leest graag
detectives, zo te zien aan haar onderzoekende blik
wanneer je vraagt of ze de wereldliteratuur in huis heeft.
Vreemde vraag, denkt ze, dadelijk vertrek je 
naar de andere kant van de aarde, en nu sta je hier
wat afleiding te zoeken in mijn ogen. Hakken te over, 
en lenige benen die je meenemen naar een uithoekje
met wat afgeprijsde Rumi. Wie had dat gedacht:
exclusieve dertiende eeuw in klein formaat paperback
voor snelle consumptie onder een schuine palmboom
in de toekomst, waar je dromen al zijn aangekomen.