vrijdag 18 januari 2019



Heb er geen weet van dat ik me thuis voel
in de ramp van het alleen zijn. Begrijp maar niet

waarom ik met avances mors. Die pijn 
heb ik nodig om een clash te beleven

tussen plonzend verlangen 
en moerassige stiltepracht

met haar dotters van geurige woorden,
lankmoedig verdwijnen in een diepte 

waar de ontreddering galmt van ken-je-me-nu
in mijn spiegelbeeld dat als gestenigd trilt.

De roerselen zijn bescheiden, warme taal prevelt 
schroom over de puinzooi van nakende nacht.

Heb er geen weet van dat ik me thuis voel
wanneer jij naast me loopt, onschuldig lichaam

dat een voorrecht wil worden in dit hoofd.
Hoop, bloot, zacht en donker in de zonneslaap,

mag duren tot het tijd wordt voor de cape
over je getatoeëerde vleugels. In doodse kou

lacht de maan, als koffiemelk zo vet,
omdat ik op Icarus lijk. Hoor: een snerende vogel

is jaloers op wat ons samenbracht. Laat gaan
wat ik niet weet, omarm wat je niet kent, zoen 

nu het nog kan deze mond die niet zwijgen wil, 
loop met mij naar het aardedonker van de liefde

en vertel vooral niemand 
waar het wij geboren werd.