zaterdag 26 januari 2019


Een half uur voor ik vertrok naar de buitenkou
nam ik afscheid van mijn centrale verwarming
en koesterde de blijvende binnenwarmte 
als een bron van verdovende gezelligheid 
die langzaam doven zou. 

De vrije temperatuur zakte zienderogen
en mijn verlangen om me af te sluiten werd gauw
een excuus om te vergeten wie er op me wachtte,
daar ginds in de slopende winter: wie me nodig had,
zonder dat ik het wist, zonder dat ik het kon zien.

Ik trok mijn jas aan en doofde het snoevende licht. 
De kamer was boos: ben ik niet goed genoeg
voor jou? Tafel en stoel beaamden haar, ontgoocheld.
Ik luisterde naar het laatste kraken van het hout
en klapte de deur achter me dicht, mezelf troostend

dat ik op weg was, eindelijk weer grandioos op weg
naar de warmste, mooiste medemens van de hele 
verdomd koude wereld die me nerveus verplichtte 
om vroeger dan laat snelle stappen te ondernemen. 
O hemel van winter, ik was eindelijk weer op weg 

naar jou.