zaterdag 9 februari 2019


Mijn hart, sissend en blazend, 
was een verraderlijke woestijn. 
Kamelen, strompelende schaduwen 
in avondrood, trokken in karavaan 

langs deze horizon van woorden:
stille slangen, vergankelijke duinen 
die hoog opgaven over de wind 
die hen voortdreef in mijn teksten. 

Ik sluit nu mijn ogen voor wat korrels 
van verleden. Open ze dan opnieuw. 
Zie nog sporen van jeeps en buggies 
en andere platwalsers met snelheid. 

Depressies werden geen zandstormen 
voor verdwalende would-be avonturiers. 
O nee — ze lieten achtergebleven stilte
de schat zijn waar ik niet zonder kan.

En toen — in een luwe zomer kwam jij. 
Je klonk als water in de oase-nacht, 
viel als een zaadje van liefde 
in de laatste ribbel, frivool als dit vers. 

JIj. Open boek dat gelezen werd, 
’s avonds voor het slapen gaan, 
in een zoen tegen de rug 
van een geknielde kameel.