zaterdag 26 oktober 2019


Een stofwolk voor ogen houden
in de wind van mijn donkere verbeelding.
Deze zaterdag brengt herfst naar Antwerpen,
een markt met het stille gezang van honger. 

Daar zijn jouw amandelogen voor 1001 nacht,
zacht als zijde op de route naar het licht, 
jij koopman die me midden in de metropool 
meeneemt naar de weelde van het onbekende. 

Terwijl ik graaf naar geld knielen de kamelen
in de caravanserail van je hand. Neem je tijd,
zeg je, en midden in het stuntelig gescharrel 
iets over het winteruur dat vanavond begint.

Eerst is er de regen, die geuren wakker maakt:
kardemom, kaneel en duizend rozenblaadjes 
in de wervelende woestijn, verglijdende duinen 
en een dankjewel met die mooie hand op je hart.

woensdag 16 oktober 2019


als je ouder bent, is redding meestal nabij
geniepig grijnzend in het kielzog van akelige feiten
die niets anders nastreven dan je klein te krijgen

een vriend belt je op: ach, zo erg is het toch niet
en dan de ongeneeslijke ziekte van een tante
die net is heengegaan, bij wijze van opluchting. 

verzen helpen ook, omhoogkringelend als witte rook
uit een schoorsteen, wanneer het einde nabij is
van een argwanend staren naar de lege bladzijde.

als je ouder bent, is redding meestal nabij
in de gedaante van een bewasemde spiegel
die alle oneffenheden wist, om de schim te tonen

die blij de dag zonder naam begint, tussen zwervers
die hun lege uren vergaten weg te slapen. Een hand
wordt geopend, je stopt er gauw een briefje in

en beseft dat je zelf de redding was, voor een ander
die je dadelijk weer vergeten zal. Hij kan nu eten,
drinken en zichzelf bedwelmen met een drug

die de brandende ogen van het ongeluk weer sluit.

zaterdag 5 oktober 2019




wat…
wat als we nu eens…

wat als we nu eens gingen wandelen,
stofwolkjes van geluk voor blozende ogen,
huivering van zon in trage frasen vol koude
wouden met hun geur van vreemde mythen
op een curve naar oneindig, 

wat als we eens gingen stoeien, naakt en vrij,
met jeugdige ademtochten bij klaterend water, 
zonder om te kijken naar de woeste leeuw
van een verloren liefde, ’s avonds,
wanneer het maanlicht door de takken schiet,

als we ons gingen bemoeien 
met het nachtelijk voortbestaan van wilde dingen
die we besnuffelen met een bemodderde neus
van koortsig gevoel, terwijl diep in onze buik,
nog warm en vochtig van bloed, een sater jokt? 

wat
als we nu eens rechtvaardig zouden handelen
met de malle dingen die begrepen willen worden:
een sterrenwagen die we mennen met de raadsels
van al onze wandelingen door de eenzame tijd —

wat 
als we nu eens, met keet en fratsen, veel te laat,
de liefde zouden vieren, op onze lange
terugweg naar huis, hier vlak bij de morgen?
wat dan, zo midden in deze verlaten herfst?

woensdag 2 oktober 2019


Alles gaat voorbij. Verdriet, poederig licht,
de pijnloze aanraking van angsten, 
de allerlaatste kans om druppels te wissen
die lijken op zachte hagel van overleven.  

Alles. En iedereen. De buitenwijken
waar mensen teveel drinken, de scènes
tussen man en vrouw die elkaar isoleren
in hun hart, alles en iedereen gaat eraan,

zoals de seks die zonder God overal is
en ruzies woordloos dooft, ronddolend  
op een vlekkerige matras. Alles verrot, 
zoals knus samenhokkende tomaten, 

vervaldata een veldslag van betasten.
Alles wordt afgeslacht door de tijd.
Vroeger keek je gelaten voor je uit. 
Warrig haar onder je kin. Tegenwoordig 

bedenk je opeens, orgastisch, met dank 
aan de kapper en zijn pronte brunettes, 
dat je de kamer wil schoonmaken. 
Wanneer doe je dat ook alweer? 

Alles gaat voorbij. 
De extase in de warenhuizen, 
de geconsumeerde ellende van hormonen
op een boxspring. 

Liefde in een spijkerbroek
gaat mee de was in, draait rustig de rondjes  
die ze nodig heeft, tot iets stilvalt en piept
als was het een waarschuwing 

voor de volgende beurt. 
Of een nieuwe machine. 
Die draait en draait en draait, 
zoals elke planeet van dolgedraaide euforie.