zaterdag 18 januari 2020


alsof een hobo bij de voornaam wordt aangesproken,
een fagot verrast die zegen vaststelt, maar een jaloerse dwarsfluit
begint te zeuren dat we midden in een concerto vertoeven 
en beter bij de les kunnen blijven

staren je ogen met oceaankracht naar de maan
o dappere saxofoon die mijn diepere ik bij toeval ontmoet heeft
schemerend saffier van onschuld dat mijn getij beroert
en mij het masker van de hypnose ontrukt 
die de pijn van onbemind zijn verbergt

in de stem van mijn geweten schuiven wolken voor een licht, 
als de boog van een viool die eindelijk terzake komt
na wat tijdverlies van droge humor: word ik op handen gedragen
of stil verketterd, en komt de buitenkans nabij van een bedeesd adagio

waar ik het antwoord kwijt ben en de thema’s nog eens overdoe
in een tempo dat mij beter ligt, op de drempel van mijn eerste liefde 
die te dissonant was om ooit nog waar te zijn?

donderdag 9 januari 2020



Jij. steeds jij. Die ik niet ken.
Herinnering aan jou is overal om me heen,
springt en danst als een sintel in mijn vreugdevuur.
O jij, ik kan je zien in trillende slierten van rood,
je komt en gaat in mijn hitte, je likt mijn gezicht, jij vlam
die diep brandt. Overal. En dan. Weer weg. Jij.

Ik. Heel even. Midden in de nacht, ijzig, wit, puur 
en gebarsten, ril van de kou, zonder jou. Mijn vingers 
hacken je lippen, knetteren en breken en vallen uiteen 
als krijt, stuiven als gloeiend stof door je donkere adem. 
Liefde die gaat of niet blijft of hoe zeg je dat, nooit heeft bestaan
ben jij, overal in mij, liefde die van geen ophouden weet. Nu dan.

Consumeer mij. Zoals ik jou.