donderdag 9 januari 2020



Jij. steeds jij. Die ik niet ken.
Herinnering aan jou is overal om me heen,
springt en danst als een sintel in mijn vreugdevuur.
O jij, ik kan je zien in trillende slierten van rood,
je komt en gaat in mijn hitte, je likt mijn gezicht, jij vlam
die diep brandt. Overal. En dan. Weer weg. Jij.

Ik. Heel even. Midden in de nacht, ijzig, wit, puur 
en gebarsten, ril van de kou, zonder jou. Mijn vingers 
hacken je lippen, knetteren en breken en vallen uiteen 
als krijt, stuiven als gloeiend stof door je donkere adem. 
Liefde die gaat of niet blijft of hoe zeg je dat, nooit heeft bestaan
ben jij, overal in mij, liefde die van geen ophouden weet. Nu dan.

Consumeer mij. Zoals ik jou.