zaterdag 8 februari 2020


Soms word ik wakker, boos op alles
wat ik gedroomd heb, blaf als een hond
naar de postbode, vergeet de tramconducteur
te groeten en draaf naar mijn werk
naast stapvoets rijdende vrachtwagens 
met dansende marionet aan hun spiegel.

Ik klink alsof ik juwelen heb ingeslikt, 
schoonheid schuurt in mijn darmen
en tussen de graffiti onder de Reyerslaan
loopt een gedachte die ik bijna zou vergeten.
Dat ik mama beloofd heb aan te sterken
met haar liefde in mijn herinnering, 

gezond te blijven in onze mooie uren
aan tafel, koffie gemorst en op het gebak
een slagroom die zonder mixer was gebleven, 
complimentjes van regendruppels op het raam
en warm genoeg water om vlekken te wissen 
op een hemd dat ze met stijfsel had gestreken.

Soepel en zacht moet ik terugkeren uit mijn slaap,
niet zeuren over die narigheid onder gesloten ogen.
Ik mag niet huilen omdat mama in een graf ligt
en haar tegenwoordige tijd zonder toekomst is.
Wat telt is dat ze goed blijft voor mij, alles overdoet
wat ik heerlijk vond, daar ginds in mijn gebroken hart.

Dat is, in een traan, waarom ik boos ben op de afleiding 
van leeggeroofde schrijnen wanneer ik er niet ben.
Hoe oker haar stem klonk, de blauwe waakvlam 
die niet meer aanslaat, een dialect met kippen 
die kakelen alsof hun uur nooit komen zal,
dit alles moet intact blijven, 

het is gewijd immers met woord,
een relikwie om te aanbidden 
in mijn hart.