zaterdag 25 april 2020


op een dag als vandaag zit je binnen
in jezelf te wachten op verdrijvende regen,
verjagende wind en stukvliegende daken.
ze stonden als zekerheden op het huis
dat tegen de vlakte moest.

op een dag als vandaag loop je op
tegen de muren van de stilte, terwijl buren
uit het raam dankbaar hangen te juichen
naar de helden die je in leven houden
wanneer je longen zijn uitgeput.

op een dag als vandaag wil je niet weten
of de oude wereld ooit terugkeert
nu de nieuwe nog in de maak is,
zonder het gevaar van open armen
met tranen van blijdschap vol virus.

op een dag als vandaag zal de wind gaan liggen,
zullen de muren weer spreken, zal een meisje
haar liefde verklaren aan een genezen jongen
die naar huis mag, onder een nieuw dak
dat de zwaluwen al hebben ontdekt.

morgen
zal Sweelinck klinken,
mijn jonge leven
dat opsteeg
uit een klavecimbel.  

zaterdag 11 april 2020

Een jogger stuift voorbij,
de douchegeur blijft achter.
Dat meer minder is,
maar toch meer.
De dood heeft twee gezichten.
Daarom maken de nieuwe cijfers
me bang, ook al zijn ze beter.
En blij dat ik ben,
als een kerselaar in de lente
die zo hard haar best doet
om met roze blaadjes te landen,
zoals deze woorden
op papier. En dan weer
in mijn dromen, via de beelden
die hen intimideren.
Zoals de grafiek van het journaal,
die dronken strompelaar
onderweg naar een ‘oef’
van werkhervatting, vakanties,
horeca en flirten in het park
waar bomen afstand houden
zonder dat iemand het vraagt.
Dat ik me afvraag wie mijn mama
de laatste keer slaapwel zei.
Het moet iets zijn in de wijze
waarop de journaliste naar mij kijkt,
als een binnensluipende dageraad
die de akelige nacht verjaagt.

donderdag 9 april 2020

De beste foto is altijd de volgende,
het beste gedicht moet nog komen.
Ik reis door mijn kamer en de steden
die ik weervind krijgen mijn woorden.
De zuilengalerij van Bologna is nu even
mijn terras, ik ben er niet, de straten
beneden janken van stilte. Hoe lief
dat alles voorlopig niet verroeren wil.
Wanneer ik vanavond mijn pesto eet,
komt een poes op het muurtje lopen,
ze miauwt iets in het Italiaans
en even later bestelt ze de latte
van de dag. Vuoi restare qui, gatto?
Ze bekijkt me alsof ik te verleiden val
en schenkt me dit gedicht, in de hoop
op nog een extra bordje.
Heel de straat met potten en pannen.
Bologna verdwenen. Stilte zoek.
De poes staakt het spinnen,
maar komt morgen terug, belooft ze.
Applaus. Mannequin op de catwalk.
Bij de rand van het muurtje kijkt ze om:
ik wil weten waar je woont, soebat ik.
Dat zijn jouw zaken niet, grijnst ze.

woensdag 8 april 2020

ik kom hier, ik die achter een masker
van het zeldzame soort waarmee je alle dagen
journaals maakt niet rapporteren kan wat het is
dat een zoen veilig maakt en je vanop een afstand,
zolang er taal is, vertellen moet dat ik je mis, je stem
in bange coronatijden die me doodstil beschermen
in mijn lonkende fort van ervaring met microfoon,
ik die skype en bel en zwijg en rondloop en eet en
drink terwijl ik verzink in verlangen om bij je te zijn,
niet via skype of telefoon, maar via je perzikhuid,
je tijgerogen, je kersenlippen, je luistervinkende oren,
je door voetbal geharde knieën, je borst van de ijsbeer
en tepel uit een blad dat ooit ter ziele is gegaan,
je melkwitte toverhand, je pure woedehaar,
je goedmakende dociele hondwenkbrauwen,
je masseerbare voetzolen die ik nog niet ken,
je maag en lever en longen en milt en cerebellum
waarover ik zwijg en ik vergeet de organen
die je het dierbaarst zijn
om gewoon maar te zeggen
wat je natuurlijk wel raden kan