zaterdag 23 mei 2020


de afstand die ons dwingt
tot zwijgen op anderhalve meter
van elkaar, terwijl je me met een knipoog
beloofde dat je bij me zou blijven,
als een verstrengeld elektron
dat mijn paradijs wil meevoeren

de afstand tussen woorden
die me aanmoedigt om van het ene
naar het andere vers te zwaaien
wanneer er betekenis wordt aangevuld
en ik een stanza eindig in het geheim
van rijmend erotisch geslijm

ik hier, jij daar:
bij de bushalte
striemt de regen
tegen mijn droom
wanneer ik je herinner
nadat je bent opgestapt

is dit liefde, zul je denken:
me bezingen als een schim
die uit je leven verdwijnt
en bij het volgende licht
een mondmasker opzet,
alsof ze zwijgen moet?

je hebt me niets beloofd,
dat jouw bus zou komen
is puur toeval, en dat die van mij
op zich laat wachten, de regelmaat
waar geen enkel hart van houdt
dus laat me wachten, wachten

op de wind van de kille zon
die je morgen zal terugbrengen
naar de afzijdige lente met het virus
dat me deze woorden heeft aangedaan
alsof ik me een drummer moet voelen
die zichzelf tussen je akkoorden smijt

donderdag 14 mei 2020

De wereld knutselt als een razende gek
de zon zelf ineen, verstand op nul
en verlangen op oneindig, in video’s
met lege kerken en huiskamers
als concertzalen.
Ondertussen huilt er
vreugde alom, in quarantaine.
Een vriendin heeft het leven geschonken
aan een jongen. Donzen haartjes,
zou dat niet mooi zijn, hoor ik aan de telefoon
die niet stilstaat. Een wonderkind, het ligt al
in de armen van de vroedvrouw. Een hit,
gestrand in de hitparade van mijn liefde.
Wonderkind, van kop tot teen.
Ik kom gauw kijken zeg ik, je maakt mijn dag
en ik vertel het aan heel Vlaanderen,
net voor de verkeerslichten aan de Keizerstraat.
Kom bij me, echte wereld die me aansteekt
om te dichten wat ik niet krijgen kan,
vreugde ontzenuwd in woorden die thuis blijven,
dicht bij mijn snoepend balen. Het volstaat
om te beknibbelen op suiker en boter
en de winkel geurt naar bestelling
maar ook de bestelling naar de winkel
van suikerbonen om ja te zeggen
tegen een welkom in deze koude wereld
van wachten op het oude zomernormaal.

zaterdag 9 mei 2020

Ik gleed als wind door de krullen van mijn lief
die Pas Op riepen, je mag ons niet aanraken,
je mag niet achterom kijken of je bent voorgoed
verloren, jij dief van harten die wil minnen

op de Styx van Vergilius. Wanneer het licht
langzaam dooft. En vroeger de ijscodame
langskwam. Maar tegenwoordig de knisperende
papiertjes met snoep je lijf doen rillen.

In een lentefilm, die navond en die roze,
een gedicht gevoeld omdat ik alleen wou zijn
met geurende schoonheid, met het onbekende
waarvan de meidoorn me vervreemdt.

Blijf maar olla vogola met het geluid van Gorter.
Blijf met je microfoon de bange wereld verslaan,
tussen virussen die alsmaar beter worden.
Tot je ook de landkaart zal verlaten, het groen

voor de oceaan zal wijken en je ergens
daarboven, sterretje onder voorbehoud,
als een Oprah-kind in de elfentover,
met een husky en een arreslee

het kleine Alaska van je jeugd weervindt.
 

zaterdag 2 mei 2020


Het is zaterdagavond. Ik zit thuis voor het raam,
voor hetzelfde raam waar ik ook gisteren zat.
Eergisteren. Woensdagavond. Dinsdagavond.
Maandagavond. Zondagavond.

Dat ik de tel
niet kwijtraak. Niet eens het vermoeden
dat er meer te beleven viel. Dan ik heb gezien.
Als waterwild op een bevroren meer.

Het is zaterdagavond. Ik zou iemand kunnen bellen.
Maar wie. Wie wil op zaterdagavond horen
dat ik bezorgd ben om hem. Of haar. Wie wil
 op een zaterdagavond gestoord worden met die vraag.

Zaterdagavond. Gedichtenavond, zult u denken. Ja.
Voor de dichters onder ons. Die zijn nu allemaal
zelf aan het dichten. En vinden geen tijd
voor mijn gedicht. Dus dichten doe ik maar niet.

Of toch. Ik zal proberen. En begin opnieuw:
zaterdagavond. Ik zit thuis voor het raam.
Nooit het raam zo zuiver ervaren. Dankzij de wolken
die uit een doek van Vermeer zijn geschoven, recht naar mij.

Hier, vlak voor mijn ogen, verschijnt mijn spiegelbeeld,
terwijl ik vlieg door mijn verbeelding, diep en koud
heelal waar te veel licht is blijven branden, alsof God
bang is voor de inbrekers in zijn IKEA.

Dus: nog steeds zaterdagavond. Ik zou je kunnen bellen.
Maar de schepen gaan toeteren dadelijk, en een kraai
zal op mijn schouder komen zitten, om nog eens te orakelen
over de pleinen en fonteinen van Venetië. Hoe blauw lucht,

water en gevoel vanavond zijn. En dat er ergens een gondelier
voor zijn plezier een laatste keer door het kanaal vaart,
terwijl mijn grootmoeder over vroeger zingt. In haar taal.
Hoe eenvoudig het allemaal was. Hoe stil. En heerlijk banaal.