zaterdag 2 mei 2020


Het is zaterdagavond. Ik zit thuis voor het raam,
voor hetzelfde raam waar ik ook gisteren zat.
Eergisteren. Woensdagavond. Dinsdagavond.
Maandagavond. Zondagavond.

Dat ik de tel
niet kwijtraak. Niet eens het vermoeden
dat er meer te beleven viel. Dan ik heb gezien.
Als waterwild op een bevroren meer.

Het is zaterdagavond. Ik zou iemand kunnen bellen.
Maar wie. Wie wil op zaterdagavond horen
dat ik bezorgd ben om hem. Of haar. Wie wil
 op een zaterdagavond gestoord worden met die vraag.

Zaterdagavond. Gedichtenavond, zult u denken. Ja.
Voor de dichters onder ons. Die zijn nu allemaal
zelf aan het dichten. En vinden geen tijd
voor mijn gedicht. Dus dichten doe ik maar niet.

Of toch. Ik zal proberen. En begin opnieuw:
zaterdagavond. Ik zit thuis voor het raam.
Nooit het raam zo zuiver ervaren. Dankzij de wolken
die uit een doek van Vermeer zijn geschoven, recht naar mij.

Hier, vlak voor mijn ogen, verschijnt mijn spiegelbeeld,
terwijl ik vlieg door mijn verbeelding, diep en koud
heelal waar te veel licht is blijven branden, alsof God
bang is voor de inbrekers in zijn IKEA.

Dus: nog steeds zaterdagavond. Ik zou je kunnen bellen.
Maar de schepen gaan toeteren dadelijk, en een kraai
zal op mijn schouder komen zitten, om nog eens te orakelen
over de pleinen en fonteinen van Venetië. Hoe blauw lucht,

water en gevoel vanavond zijn. En dat er ergens een gondelier
voor zijn plezier een laatste keer door het kanaal vaart,
terwijl mijn grootmoeder over vroeger zingt. In haar taal.
Hoe eenvoudig het allemaal was. Hoe stil. En heerlijk banaal.