zaterdag 9 mei 2020

Ik gleed als wind door de krullen van mijn lief
die Pas Op riepen, je mag ons niet aanraken,
je mag niet achterom kijken of je bent voorgoed
verloren, jij dief van harten die wil minnen

op de Styx van Vergilius. Wanneer het licht
langzaam dooft. En vroeger de ijscodame
langskwam. Maar tegenwoordig de knisperende
papiertjes met snoep je lijf doen rillen.

In een lentefilm, die navond en die roze,
een gedicht gevoeld omdat ik alleen wou zijn
met geurende schoonheid, met het onbekende
waarvan de meidoorn me vervreemdt.

Blijf maar olla vogola met het geluid van Gorter.
Blijf met je microfoon de bange wereld verslaan,
tussen virussen die alsmaar beter worden.
Tot je ook de landkaart zal verlaten, het groen

voor de oceaan zal wijken en je ergens
daarboven, sterretje onder voorbehoud,
als een Oprah-kind in de elfentover,
met een husky en een arreslee

het kleine Alaska van je jeugd weervindt.